Het is de eerste warme dag van het jaar. Het is ook goede vrijdag. Kruisig hem!
Een uitgelezen dag voor mij en mijn vriendin Ineke om de wandelschoenen om te gespen en de beentjes eens flink aan het werk te zetten. Een route van twintig kilometer vinden we allebei een lekker hapje. We beginnen in Dieren en wandelen door een wijk waar de plantsoenendienst danig van Magnolia houdt. En die bloeit nu. De hemel is even op aarde neergedaald, ook de lucht werkt mee met de bijpassende effen kleur. Langs de volkstuintjes betreden we het bos. We betreden het, de hoge beuken vormen met elkaar een kathedraal, gevuld met vogelenzang. De knoppen van enkele bomen zijn opengesprongen in een geelgroen waas.
Het bos schuift langzaam onder onze voeten weg. Voor de herten en wilde zwijnen zijn in de grond verzonken betonnen drinkbakken gemaakt. De randen zijn met donzig mos overgroeid. Het lijken echte bosvennen en door mijn oogharen zie ik de nimfen rond het water dansen. Ineke vertelt iets over haar amoureuze avonturen. Ze legde haar zweetdoek van koel, fijn linnen over zijn gezicht.
Van beukenbos komen we in een gemengd bos. Van het gemengde bos, over een bruggetje komen we in de bewoonde wereld van Laag Soeren. Een gegoede buurt met prachtige huizen aan de bosrand. De sleedoorn staat in grote witte bloemtrossen te pronken als een bruid. Vrouwmensen dragen tassen vol boodschappen uit hun vijfdeurtjes naar binnen. Boven op een uitpuilende tas een doorzichtig eierdoosje met eieren in de kleuren van de regenboog.
Nu lopen we een stukje langs een drukke weg. Vrachtverkeer, herrie en stank. Op het middaguur viel er een duisternis over het hele land. Even later steken we het Apeldoorns Kanaal over en zijn we van de drukte verlost. We naderen Hall. De voortuinen liegen er niet om. Hier houdt men van overzicht en ordening. De donkergroene buxushaagjes zijn goed gesnoeid. Men houdt hier ook van de slangeden. Een stekelige, schematische boom. En van grind, want er moet ook geparkeerd worden. Het toeval is tot het rijk der fabelen verwezen. Ineens een dissidente woning, met een hobbelig grasveldje voor waarin een gewone boom, madeliefjes en heel veel paardebloemen, in volle glorie.
Via het Hallsepad, een fietspad en een paar zandwegen komen we in de bossen van het Leusveld in Brummen. Voor het landhuis in een zonnige wei staan vier prachtige kleine dikke kortpotige koeien van een prachtige diepe donkerrode kleur met zwarte snuiten. Het bordje van het Gelders landschap leert ons dat dit koeien zijn van het bijna uitgestorven Brandrode rund. Dat deze sobere koeien resistent zijn tegen allerlei ziektes, geschikt zijn voor melkproductie en ook nog wat vlees geven. “Weer een probleem opgelost”, zegt Ineke. Anderen heeft hij gered...
Het laatste stukje bos, bij Klein Engelenburg. Grote groepen bosanemonen, wit met een geel hart, staan met open kelken de zon in te drinken. We stikken van de dorst en we voelen onze voeten. Iemand ging snel een spons halen, doordrenkte die met zure wijn.. Midden op het pad ligt een pad. Doodstil. Met mijn enorme wandelschoen keer ik hem om, Ineke vindt het niet kunnen, maar inderdaad, hij is dood. Zijn buik toont een panterachtige tekening in vuilwit en donkergroen. Het was in het negende uur na zonsopgang.. Ook hier, midden in het bos, rijden de automobielen. In de verte zien we het rood-wit van de spoorbomen op station Brummen.
En de treinen rijden op tijd.
Het is zaterdagochtend acht uur. Onze groep mag vòòr de officiële openingstijd de kathedraal van Chartres binnengaan. In alle rust mogen we doen wat we willen doen. Nadat ik een rondje heb gelopen lokt het me weer: dat geheimzinnige labyrint.
Ik ben niet de enige die gelokt werd, of geroepen; de grote cirkel is vol mensen. Sommigen lopen snel, anderen langzaam, weer anderen staan stil. Het is koud in deze vroegte. Ik ga zitten op een kerkbank, reken een beetje en wacht. Ik zie hoe iemand ‘verkeerd’ loopt. Even later komt ze tot haar verbazing terug bij het begin. Iemand anders wijst; zo loopt het zie je wel? Ik kijk naar de mensen die op weg zijn en bedenk dat ik nog even wil wachten, omdat ik het zo vervelend vind om te ‘botsen’ of om me mijn snelheid te laten dicteren, maar toch sta ik op en begeef me naar het beginpunt. Hier aarzel ik, het is een lange weg ik kan ook gewoon wat naar de ramen gaan kijken. Ik weet dat deze gedachte nergens op slaat; dit is wat ik wil en ik zet mijn eerste stap.
Het voelt onwennig. Ik loop verder, ik neem de eerste wending, ik sta stil. Ik loop verder, sta weer stil. Hier is het westelijk roosventer. Het treft me hoe volmaakt het is, maar vooral ook zo blij; zo positief, zo bemoedigend. Ik loop verder en wend en loop en sta stil. Hier is de boom van Jesse. Voor mij een beeld van het verleden, àl die generaties die mij voorgegaan zijn, die ik in me draag en waarvoor ik grote dankbaarheid voel.
Ik loop en wend en loop en sta weer stil, een onzichtbare macht lijkt mijn stappen te regelen. Hier is een venster met bloemmotieven, voor mij een beeld van Natura, de Godin van het leven, die mij niets dan vreugde schenkt.
Ik loop en wend en loop en sta stil. Ineens gaapt voor mij de enorme donkere ruimte van de kathedraal, als een gigantische zwarte muil. Ik voel weer hoe koud het is. Ik moet verder van mezelf maar het lijkt niet te gaan. Ik merk hoe kou en duisternis op mijn gemoed werken en ik ga weer. Op weg, onderweg, aankomen. Op weg, onderweg, aankomen, met elke stap.
Iemand staat achter me te wachten. Kom maar langs me, denk ik, maar ze doet het niet. Ik zet weer een stap, maar die stap had ik niet willen zetten; precies zoals ik me in het dagelijks leven laat opjutten, soms. Ik sta weer stil en sluit mijn ogen. Ik voel hoe het lijntje vanuit mijn kruin me omhoog trekt. Mijn wervels lijken zich allemaal netjes op elkaar te stapelen. Als ik weer ga lopen heeft mijn achterligger me al ongemerkt ingehaald.
Ik loop en wend en loop. Steeds ontmoetingen met anderen, iedereen loopt zijn eigen pad, allemaal lopen we hetzelfde pad. Inmiddels vult de kathedraal zich met meer mensen; vreemden. Wie is ook alweer de vreemdeling? Wie een vreemde voor zichzelf is ziet anderen zéker als vreemd. Een felle hoofdpijnsteek overvalt me. Ik maak ruimte in mijn hoofd, maak een hoofd als een kathedraal, en de hoofdpijn verdwijnt.
Het laatste stukje. Deze laatste stappen zijn vederlicht. Met elke stap voel ik meer vreugde in mijn hart, kracht en ontspanning in mijn lichaam, en ruimte in mijn hoofd. Het voelt alsof ik na een lange reis naar huis mag, alsof een zware taak volbracht is. Ik stap in de bloem en op dat moment gaat er boven mijn hoofd een licht aan. Ik wankel even en sta stil. Alles is hier en alles is nu. Ik hef mijn armen, zo wijd en zo hoog als ik kan. Het voelt alsof ik daarmee zowel de wereld omhels, als een zegening ontvang. Geven en nemen is hetzelfde.
Ze is al bijna te laat voor de afspraak. Te lang bezig geweest met bepalen wat ze dragen zal. Als haar halve kleerkast over de vloer verspreid ligt kijkt ze op haar horloge en rent naar buiten. Met spijt, want ze draagt het verkeerde. Iets wat helemaal niet bij haar past. Iets wat ze ooit gekocht heeft om een andere persoonlijkheid uit te proberen. De voornaamste reden waarom vrouwen miskopen doen. Jammer dan.
Ze springt op haar fiets. Gelukkig, stoplichten en wind mee. Daar om de hoek is het café waar ze zijn moet. Dan voelt ze hoe het zweet langs haar flanken rolt. Het nare effect van teveel koffie. Shit, het allerbelangrijkste, haar deo, is ze vergeten. Wat een slecht begin van een nieuw leven! Ze bedenkt dat ze beter iets te laat en fris, dan helemaal bezweet op tijd kon zijn en wil omkeren, maar prompt passeert ze een drogist en remt hard. ‘Godverdòmme!’ klinkt het achter haar, tegelijk met het gierende geluid van slippende banden. Een heel boos kijkende jongeman op een knalrode sportfiets weet nog net uit te wijken en passeert slingerend.
Ze rent naar binnen,grist een mannendeo van de schappen en beent de hoek om, richting kassa. Er staan vijf mensen te wachten, waarvan drie met een volle mand. Zonder zich te bedenken laat ze het flesje in haar zak glijden en loopt de route in omgekeerde richting terug, naar buiten. Als ze het winkelpoortje passeert verwacht ze een alarm te horen en dat de meisjes naar buiten zullen komen en ze zich verschrikkelijk zal schamen, maar er gebeurt niets.
Haar fiets is weg. Of had ze hem ergens anders gezet? Dit kan niet. Ze weet dat het wel kan, omdat ze hem niet op slot heeft gezet, vanwege haar haast. Net als ze in huilen uit wil barsten ziet ze wat verderop een man op leeftijd, die een fiets in een klem zet. Haar fiets. Ze stormt op hem af en voordat ze heeft kunnen bedenken wat ze gaat zeggen valt hij tegen haar uit: “Als iedereen zijn fiets zo neerzet, kan niemand er meer langs, jongedame!” Ze schenkt hem een lieve glimlach. Ze pakt haar fiets, zet hem bedaard op de standaard en haalt de deo uit haar zak. Even later parkeert ze haar fiets, wat aarzelend, bij het café. In een klem, naast een knalrode sportfiets.