Waar ik veel van hou, maar die heel moeilijk te schrijven zijn. Misschien wel onmogelijk voor ons Westerse mensen in de 21e eeuw. Maar ik doe af en toe graag een poging.
Er was eens een vioolspeler die Gideon heette. Hij woonde in de stad op een zolderkamer. Hij was nog heel jong, maar hij kende wel duizend liedjes. Dansliedjes, marsliedjes, kinderliedjes, liedjes voor dames en liedjes voor heren, feestliedjes, nachtliedjes, werkliedjes, treurliedjes, troostliedjes, zomerliedjes en winterliedjes. Iedere morgen ging Gideon naar buiten. Dan zocht hij een plekje op een plein of in het park. Hij zette eerst zijn hoed op de grond en dan begon hij te spelen. Alle mensen in de stad kenden hem. Zijn viool klonk zoet en liefelijk. Van de kleermaker kocht hij een roodfluwelen jas die mooi was en lekker warm.
Op een dag stond Gideon op een straathoek. Er zat er een grote kraai op een dak die zo hard kraste dat niemand de viool nog hoorde. Gideon lachte en probeerde het geluid na te doen. Het lukte en de kraai hielde meteen zijn snavel. Even later zat het hele dak vol kraaien die met een scheef kopje luisterden. Wat zou ik toch zeggen? dacht Gideon. Hij hield van kraaien. Hij hield van alle vogels en hij leerde zichzelf om net als zij te kwinkeleren, te fluiten, te tsjielpen, te piepen en te tierelieren. Gideon werd nog beroemder. Als hij een vogelconcert gaf dan kwamen de vogels luisteren. Op alle daken en lantarenpalen streken ze neer. En de mensen bleven doodstil staan. Zodra hij ophield met spelen vlogen de vogels weer weg. Op zulke dagen raakte zijn hoed tot de rand toe vol. Bij de schoenmaker kocht Gideon gouden laarzen, die hij heel mooi vond.
De mensen in de stad vroegen hem om vogelconcerten op het voetbalveld te geven. Dat gaf minder vogelpoep in de stad. Gideon deed het en hij verdiende nog meer geld. Bij de edelsmid kocht hij een vioolkist die versierd was met diamanten. Aan mijn viool heb ik alles te danken, alleen het beste is goed genoeg voor haar, dacht hij. Maar de volgende dag merkte Gideon meteen dat haar geluid niet meer zo zoet en lieflijk was. Ze klonk nog altijd mooi, maar toch was het alsof er een schaduw over haar tonen lag. Eerlijk gezegd hoorden de mensen het verschil niet. Maar de vogeltjes wel, want vanaf die dag lukte het Gideon niet meer om ze te betoveren.
Vele jaren gingen voorbij. Er brak een lange, onvriendelijke winter aan. Gideon stond al de hele dag te spelen maar de mensen op straat stonden niet stil om te luisteren. Hij had het koud en hij had honger, want zijn hoge hoed was nog helemaal leeg. De vioolkist en de gouden laarzen had hij allang verkocht. Daar naderde een dame met een droevig gezicht. Wie weet zou ze hem wat geven? Gideon zette een wijsje in over een verloren geliefde die onverwacht terugkomt. Maar de dame stak de straat over. Daar kwam een meneer met een grijze baard. Nu begon Gideon een wijsje over een oude visser die een walvis vangt. Maar de man keek hem boos aan. Het leek wel of de mensen niet meer van zijn muziek hielden. Hij zuchtte. Net toen hij besloot dat hij vandaag maar zonder eten naar bed moest, hoorde hij iets scharrelen bij zijn voeten. Het was een grote zwarte kraai. ‘Sorry’, zei Gideon, ‘Ik heb zelfs geen broodkorstje voor je.’ De kraai antwoordde: ‘Je viool treurt omdat haar hart gebroken is. Je kan haar maar op één manier helpen: Je werd meester in de muziek, nu moet je weer dienaar worden. Om dat te bereiken moet je al je liedjes vergeten.’ Gideon schrok. Het leek hem heel moeilijk om al zijn liedjes te vergeten. Hij wilde het ook niet want hoe moest hij dan zijn brood verdienen?
In die winter verhongerde Gideon bijna. Daarom besloot hij in de lente om de raad van de kraai op te volgen. Hij verkocht zijn spulletjes en kocht gereedschap en een geit. Hij liep vele dagreizen tot aan een bosrand waarlangs een beek stroomde. Daar bouwde hij een hutje. Hij spitte een stukje grond om voor zijn moestuin. De viool borg hij zorgvuldig weg.
Zijn leven werd heel anders. Hij zaaide en wiedde, molk zijn geit, viste in de beek, kapte hout en vlocht manden. Ondertussen luisterde hij naar de muziek van de natuur. Het ruisen van de zuidenwind en het gieren van de noordenwind. Het kabbelen van het water in de beek en het kletteren van de regen op het dak. Het rommelende geluid van stenen die de heuvel afrollen en de plofjes van kastanjes die uit de boom op de grond vallen. En ‘s avonds luisterde hij naar het knetteren van het vuur in de haard als het brandhout droog was. Of hoe het siste als het nat was.
Vele jaren leefde hij zo en hij leerde iedere dag een nieuw geluid kennen. Het geluid van de regen die uit de verte dichterbij komt. Het geluid van een bloem die uit haar knop breekt. Het zingen van een brandende kaars en het klapwieken van vlindervleugels. Het ruisen van zijn eigen bloed. Bij elk nieuw geluid vergat hij een oud lied. Maar op een dag, tegen het vallen van de avond, voelde Gideon zich erg alleen. Hij vroeg zich ineens af waarom hij nooit meer viool had gespeeld. Alleen omdat een oude kraai hem dat lang geleden gezegd had? Toen hij de viool uit haar kist haalde leek het of hij een oude vriendin weer terugvond. Hij droeg haar naar buiten en streek een lange, heldere toon, een toon die leek op het ruisen van de beek. Daarna speelde hij het gezang van de zuidenwind. Gideon speelde heel lang en hij wilde niet meer ophouden. In alle bomen en struiken, op het dak en op de grond, streken de vogels neer. Nu begreep Gideon dat hij dienaar van de muziek was geworden. Voorzichtig legde hij de viool terug in de kist. Hij besloot terug te gaan naar de stad. Hij wilde de mensen laten horen wat hij geleerd had.
Dus als je ergens in de stad een oude man met een viool ziet, die een vreemd soort muziek maakt, zoals je nog nooit eerder gehoord hebt, dan weet je dat het Gideon is, die het lied van de vlindervleugels speelt. Er zitten waarschijnlijk heel veel vogels om hem heen.