you can find this page online at www.marijeverbeeck.nl/index.html
skip to content

Dorpsdichter

Februari 2021

Brummen verloor haar mensenpaden aan de sneeuw en de sneeuw openbaarde een veelvoud aan dierenpaden. Was je in het bos, bijvoorbeeld in Leuvenheim, dan zag je onbegrijpelijk veel sporen van voetjes, routekaarten van knaagdieren, vogels, hazen, reeën en edelherten. Ze hadden honger. Hun weides en bosbodems waren onbereikbaar. De dieren waren over bevroren beken gesprongen, onder prikkeldraad door gekropen, diep de rabatten ingetrokken. En wij strompelden maar wat, op onze hightech schoenen, door schoonheid geraakt, met het vooruitzicht op een warm huis, de geur van soep, een kruik in bed. En dan hadden we ook nog het hoge water.

eerst kwam het water, dan storm, toen de vorst
sneeuwjacht en sneeuwduinen in de nacht
en ‘s ochtends de grote verwondering
het sneeuwwit lichtte de huiskamers op
we moesten het onbetreden vlak betreden
oostenwind huiverde diep in de hagen,
en daar was ineens, vroeg in de middag
aarzelend, zoekend, voor hij weer verdween
een haas in de Gasfabriekstraat

buren schoven hun stoepen schoon
kinderen werden weer jong op een slee
onze rivier haakte randen van kant
hing hekwerken vol met juwelen
ijsbrokken botsten in klotsend hoogwater
en oostenwind joeg door de vacht van de haas
in de Gasfabriekstraat

het huivert nog in ieder van ons
die liever de sneeuw onaangetast laten
tot lente die zacht maakt, niet tot dit einde
als grijze smurrie, door zout al verziekt,
voordat het voorgoed is verdwenen,
net als misschien die ontheemde haas
die vluchtte naar de Gasfabriekstraat


Januari 2021

Vandaag op een waterkoude dag in januari houdt het toeval mij thuis in Brummen. Voor een verwarmende soep moet wel een strooptocht naar de winkel ondernomen worden. Het goede voornemen is om onderweg én in de winkel actief op zoek te gaan naar levenstekenen. Een levensteken is elk ding, waarvan jij vindt dat het er een is. Het kan van alles zijn. Iedereen die vandaag onderweg gaat naar een winkel is bij deze uitgenodigd mee te zoeken.
Het begint al direct in de achtertuin. De pepermuntplant is de winter alweer uitgelopen en de tortelduif heeft ook al het voorjaar in de kop. Op straat nadert een hele berg winterkleren op een fiets en daar blijkt een lieve vriendin onder te zitten. De grijze lucht is, bij nader inzien, den opalen dag zoals Marsman ons dat leerde. Zijn er al vier.
Bij de karretjes vraagt een vrouw me haar te helpen haar boodschappen op haar scootmobiel te laden. Ze heeft een zeer goed humeur waar ze me van laat meegenieten. Behalve een krachtig levensteken is zij mijn heldin van de dag. Het kan niet op want bij de winkeldeur ontmoet ik een Brummense vriend van 95 jaar. Hij zegt: ‘Goed goan en hou de bienen d’ronder!’ Een beste wens.
In de winkel staan de schappen gevuld alsof het luilekkerland is. Alles wat de wereld kan bieden is er. Rijst, tomaten, ui, linzen, gember, kurkuma, knoflook, koriander en komijn. In één keer mijn soepie voor straks.
Zeven levenstekenen in amper tien minuten tijd. Iets hoopgevenders had ik zelf niet kunnen bedenken. Hieronder als toetje het gedicht van Marsman, vergezeld van een imitatio van uw dorpsdichter. Een imitatio valt gelukkig niet onder plagiaat. Er eentje maken is, net als zoeken naar levenstekenen, bijzonder goed voor het moreel.

VLAM
Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag 

Hendrik Marsman, Verzameld werk. Amsterdam, 1938.

SALDO
recept voor dahlsoep

en mijn Triodospas
vist uit ontzaggelijke voorraad
van slijk der aarde
het juiste bedrag

December 2020

Vandaag brengt het toeval mij helemaal nergens. Het is dinsdag en Nederland is in lockdown. Mijn kleindochter huilde omdat ze vijf weken niet naar school mag. Zij verdient een boek dus ik ga op pad. Een voorbij wandelende buurman vraagt zijn vrouw: Wordt je er blij van? Goeie vraag. De boekwinkel mag niets verkopen, ik moet het op internet uitzoeken, dan bezorgen ze. Mhm. De markt in Brummen is wel open, de mensen lopen beduusd rond, zo ook mijn fluitjuf. We besluiten dat ons minihuiskamerkerstconcertje niet door kan gaan. Zo jammer. Dan flikkert er een positief doel op in mijn binnenste: ik ga een mooie kerstboom bemachtigen en daarna fijn optuigen met de oeroude versierselen uit de kindertijd van mijn kinderen. Nooit andere. De wens eindigt in een fiasco. Er zijn nog drie bomen. Een veel te groot, een gewoon te groot en een precies groot genoeg maar veel te breed. De te grote dan maar? Ik word er niet blij van, ook niet van de prijs. Een fietstochtje extra brengt mij bij een plantage geschikte bomen, maar is alleen op zaterdag open. Hoeveel teleurstellingen kan een mens hebben zonder chagrijnig te worden? De limiet is bereikt. Er moet nú even iets héél erg gaan lukken! Vorig jaar zag ik bij iemand een houten kerstboom, een nogal abstract ding. Ik vond hem leuk en kreeg hem direct cadeau. Laat ik hem dan toch maar van zolder halen. Hij blijkt te wiebelen. Veel kan ik hebben, maar geen wiebelende kerstboom, al is hij van hout. Waar is de man? Hij komt, zoals vaker, als geroepen. Met de juiste mindset en de juiste sleutelset. Nu hebben we dus de raarste kerstboom ooit. Wel stabiel, zonder de meeste oude versierselen en met mijn stenenverzameling erop. Raar.

de nacht gaat zonder een geluid
zonder een teken over in de
dag op zo’n dag loop je naar de markt
passeer je de van Vuurenstraat
hij vocht een oorlog uit
en overal staan onverstoorbaar bomen
hemel te bestormen

November 2020

Vandaag mag ik weer een gedicht zoeken. Ergens in onze fraaie gemeente moet het liggen, maar waar? In Eerbeek! roept het op deze mistige novemberochtend. Langs het fietspad vloeien grijswitte zwammen als nevelen de grond uit. Zo zetten de nevelzwammen de dichter meteen in de goede stand en de hele weg ligt weer geplaveid met poëzie. Daar staat een kunstleren fauteuil in de berm. Er is een bordje bij gezet: Rita getrouwd. Dat geeft heel wat om over na te denken. Bij het Apeldoorns Kanaal: de in vrolijke kleuren geschilderde diepe verlatenheid van de lege buitenspeeltuin. Gelukkig laat een eik, net als ik onder hem door fiets, takkenvol blad vallen. Dat stemt feestelijk, meer nog dan confetti of rijst. Rechts doemen een paar échte Jan Mankesbomen op. Alsof ze geschilderd zijn, tegen een blauwgroene lucht. Een duidelijke aanwijzing. Dus fiets ik eerst maar eens langs huisnummer 13 op de dr. Gunningstraat. Dat wilde ik toch al: het uitzicht dat ik van het schilderij ken, in het echt zien.
Alleen de sneeuw ontbreekt. Het ontroert sterk, alsof tijd niet bestaat. Binnen komt iemand naar het raam, zich misschien afvragend wat ik daar sta te peinzen. Als ik daar woonde zou ik een reproductie van Uitzicht atelier te Eerbeek bij dat raam hangen. Dat een fantastisch Droste-effect geven, maar dan anders. In de verte schemert Huis te Eerbeek als de maan door de bomen. Dáár moet ik zijn. Een heuse perspectiefwissel: het uitzicht dat de schilder antwoordt.


jaren was ik hier, jouw blikveld
dag na dag zat jij daar aan de overkant
turend door je ziende ogen
naar een vogel, boom of bloem
gezeten aan het raam zette je je lijnen
en kleurde vlakken dun als water dun als lucht
steeds weer kijken en weer wat herzien
tot je de verf tot leven had getoverd

op een dag, het sneeuwde in november,
toen zag jij mij
niemand die zo teder keek als jij
jij schilderde mij toe, gaf me eeuwig leven
had ik maar zulke dunne woorden
zulke transparante zinnen ik zou je zó,
dwars door de tijd, weer zachtjes terugbezorgen
aan je raam in Eerbeek, als het kon




Oktober 2020

De maand oktober. Dat vallen van die bladeren. Dat steeds vroeger donker worden. Dat voorbij, voorbij, voorbij. Uw dorpsdichter kan er van meepraten en besloot het grote verdwijnen nu eens voor te zijn. In Hall wordt een woonwijk gebouwd. Straks is het klaar en kun je je niet meer voorstellen hoe het ooit was, zonder die wijk. Nu de bouw nog niet is begonnen, moet ik maar gauw gaan kijken. Een van de fijne dingen van Hall is het Hallsepad. Wie het heeft uitgevonden mag van mij geridderd worden. Zes kilometer lang niets dan hoge bomen, frisse lucht en vogelenzang. En ineens fiets je Hall binnen, waar het lijkt of de bomen ook steeds stiekem een stapje dichterbij komen, zoals in Annemarie Koekoek. Vanaf de Dorpsstraat zie je de plek waar de woonwijk nog niet is, een wat hobbelig weiland met mals gras. Er staat een hek omheen en er staat een bord in, dat onleesbaar is zonder verrekijker, maar dat zo te zien wel de aankondiging is van de ophanden zijnde huizenbouw. Er staat ook al een nieuw huis, waar nog niemand woont. Ik loop erlangs naar de wei die spoedig geen wei meer is, maar straat en stoep en parkeerplaats en voortuin en achtertuin en huis en groenstrook en speeltuintje of wie weet buurthuis? Langs de weiranden staan hoge bomen. Naast mij staat een oude wilg, een echte, uit een kinderboek. Mogen zij blijven? Hij weet het niet. Het weiland wacht ook af. Ze staan voor grote, onafwendbare veranderingen en zijn heel, heel bezorgd.


voor de wormen in de grond
de schimmels spinnen springstaarten
de duizendpoten pissebedden
de aaltjes mijten mollen
wees maar niet te bang
want mensen die in Hall willen gaan wonen
zij zullen het begrijpen
zij zullen moederkoeken begraven in de tuin
zij zullen composthopen maken,
madeliefjes zaaien, meidoorns planten
en weinig stenen leggen
en nog minder asfalt
voor de adem en het drinken
voor de wormen in de grond




September 2020

Een bekentenis. Deze dorpsdichter schuwt de Grote Onderwerpen. Laat die maar over aan de mensen met overzicht. Liever schrijf ik over een groen plastic dopje dat op een pad ligt. Of over de mussen. Of over het landschap, in onze eigen weergaloos mooie gemeente. Niet alleen in de buitengebieden, ook in een supermarkt gebeurt altijd iets moois. Echt waar, ik ga het bewijzen. Maar nu nog niet. Op deze dinsdagmorgen brengt het toeval mij onafwendbaar naar Het Leusveld. Het Leusveld stelt nooit teleur. Daar komt bij dat ik laatst een boerenzoon sprak, die er opgroeide. Hij vertelde over de bossen waar de mensen toen groot ontzag voor hadden. Vooral in het donker, dan ging je daar echt niet alleen uit wandelen. Ik wil naar het Leusveld om even goed ontzag voor het bos te voelen. Zodra ik mijn fiets parkeer, gebeurt het al. Het is hoog en kraakt van ouderdom. Bomen doen gewoon wat ze moeten doen. Ze groeien, bloeien, worden oud, verliezen een tak en nog een, sterven en maken nergens een punt van. Ik loop, het ruist hoog boven me, ontzag groeit. De ouderlijke boerderij van die man is afgebroken. Ik zoek een overblijfsel. Een verwilderde roos uit moeders tuin, een scherf van een tegelvloer. Niets te vinden, behalve misschien een paar oeroude meidoorns, het stemt wat droevig. Ontzag en droevigheid, daar moet wel een gedicht van komen. Terug naar de fiets over de Kaniestraat, een weg van zand. Er wordt daarlangs fantasierijk gemaaid. Dat ziet eruit alsof iemand haast had en hier en daar plukjes vergeten is. Dat is te waarderen.


tussen nu en toen een dun laagje tijd
tussen jou en het bos een dun laagje lucht
de zomer voorbij, de planten vermoeid,
willen gaan liggen gewoon op de grond
hier ben ik, neem mij maar weer op
want winter is niets voor mij

maar jij moet blijven en zoekt
een zachte zandweg over de aarde
mooi tegen bomen aan,
zet je voeten maar neer, ik draag je wel
hier mag je zijn, je hebt adem nodig
hier is het




Augustus 2020

Er zijn plaatsen op de wereld die zo vaak beschreven zijn dat je denkt er zelf geweest te zijn. De Sahara, het San Marcoplein, de Wallen in Amsterdam. Er zijn ook plaatsen die nog nooit beschreven zijn, waar je misschien vaak geweest bent. De hoek Polweg-Loenenseweg in Eerbeek, de Ambachtstraat in Brummen of een bepaald plekje langs de Soerense beek. De dorpsdichter zal trachten, op prozaïsch-poëtische wijze, in dit manco te voorzien. Het zal gaan om druppels op de grote, gloeiende plaat. Misschien een druppeltje dat een mooi stoomwolkje geeft, voor het weer in de vergetelheid opgaat. Maar dan zal er tóch iets veranderd zijn, want altijd zal er een ontmoeting zijn. Misschien met een mens, een dier of een boom. In elk geval met een stukje aarde in onze eigen, weergaloos mooie gemeente.

Vandaag brengt het toeval mij op de ventweg langs de N341 in Brummen. Met dit stukje fietspadweg, tussen de rotonde met de racewagen en het viaduct met het gedicht, kun je een zuivere haat-liefde verhouding beoefenen. Aan de oostkant de uiterwaarden. Een en al ruimte, wolken en frisse lucht. Aan de westkant de weg die Brummen van de IJssel afsnijdt met het autogeraas dat je wel hoort en het fijnstof dat je niet ziet.
Waar de dijk begint, staat een bank. Er zitten vier mensen op, dat past precies. Ze kijken uit over het ver. Boterhammetje bij de hand. Waarschijnlijk twee echtparen, met nieuwe fietsen, grijze koppies en vief. De vrouwen in het midden, beschermd tegen het kwaad. Jong waren ze in de jaren zestig. Zekerweten waren die mannen toen toffe gozers met woeste baarden en haar tot op de schouders. Misschien waren ze op dat legendarische openluchtconcert in Kralingen? Daar kregen ze die meiden, in minirok en op plateauzolen, in het vizier. Nu ik dit weet, vraag ik toestemming om een foto van hen te maken.


EEUWIGDUREND NU

zij hebben hun blik op de hemel gericht
met vooruitzicht op steeds minder jaren
deren donkere wolken hen niet

want alles begint hier en nu
de dijk ligt uitnodigend uitgestrekt
begint hier in Brummen
begint daar in Zutphen
begint verder in Wijhe tot Kampen aan toe

een fietser verovert zijn ruimte
een fietser verlangzaamt haar tijd
er kiert blauw door het grijs


back to top